Astrid had Kleine Pete te eten gegeven.
Ze zat wat te lezen, dicht bij het raam, met het boek in een ongemakkelijke hoek in een poging het zwakke maanlicht te benutten.
Het schoot niet erg op.
Het was geen boek dat ze vroeger ooit gelezen zou hebben. Ze zou nog niet dood gevonden willen worden met zo’n stom romantisch puberboek. Vroeger zou ze een klassieker gelezen hebben, of een roman van grote literaire waarde. Of een geschiedenisboek.
Nu wilde ze weg. Nu wilde ze niet meer in deze wereld zijn, deze verschrikkelijke wereld van de fakz. Boeken waren de enige manier om te ontsnappen.
Al na een paar minuten legde Astrid het boek opzij. Haar handen beefden. Poging om te ontsnappen in boek: mislukt. Poging om angst te vergeten: mislukt. Het was er allemaal nog steeds, en het verdrong alle andere gedachten.
Buiten liet de wind boomtakken langs de zijgevel van het huis schrapen. Ergens registreerde Astrid het wel, en ergens vroeg ze zich af wat er aan de hand was, maar ze zette het meteen weer van zich af en dacht aan dringender zaken.
Ze vroeg zich af waar Sam was. Wat hij aan het doen was. Of hij net zo naar haar verlangde als zij naar hem.
Ja, jazeker, ze wilde hem. Ze wilde in zijn armen liggen. Ze wilde hem zoenen. En misschien wel meer. Misschien nog wel veel meer.
Alles, alle dingen die hij wilde, wilde zij ook.
Snapte hij dat dan niet, die stomme eikel? Was hij zo dom dat hij niet begreep dat zij het ook allemaal wilde?
Maar zij was Sam niet. Astrid deed nooit iets in een opwelling. Astrid dacht goed over dingen na. Astrid het Genie, die alles altijd zo goed onder controle had. Dat was het woord dat hij haar naar het hoofd had geslingerd: controle.
Hoe kon Sam nou niet begrijpen dat ze nóg een zonde zou begaan als ze die grens overschreed? Dan zou ze nog een stap verder verwijderd zijn van haar geloof. Zou ze wéér toegeven aan haar zwakte.
Dat soort momenten waren er al te veel geweest. Het voelde alsof er kleine stukjes van Astrids ziel afbraken en wegdwarrelden. En sommige stukjes waren niet eens zo heel klein.
Haar zelfbeheersing was zo snel verschrompeld dat het bijna lachwekkend was. Na alle verleidingen en provocaties was het kalme, beschaafde, verstandige meisje verdampt als een druppel water in een hete koekenpan – sis, knetter, weg. En daarna was er pure agressie naar boven gekomen.
Ze had geprobeerd om Nerezza te vermoorden. In razende, ongecontroleerde woede. Ze werd al misselijk als ze er weer aan dacht.
En dat was nog niet alles. Ze had gewild dat Sam Drake in een hoopje as veranderde, hoewel dat betekende dat hij Brittney ook moest vermoorden.
Astrid kon zo niet meer zijn. Ze moest zichzelf weer zien te vinden. Ze had tijd nodig om zichzelf weer op te bouwen. Ze was bang dat ze kapot zou vallen. Als een glassculptuur, een schilfertje hier en een schilfertje daar en voor je het wist barstte het in duizend scherven uit elkaar.
Maar een kil, berekenend deel van haar hersenen wist dat ze Sam niet te veel van zich mocht laten vervreemden. Want het was slechts een kwestie van tijd voor alle anderen doorkregen dat de fakz een uitweg had.
De uitgang was recht voor hun neus. Lag een meter bij Astrid vandaan.
Eén moord maar…
Anderen hadden op die klif hetzelfde gezien als Astrid, toen het hoofd van Kleine Pete even op zwart was gegaan, helemaal van de kaart doordat hij die stomme spelcomputer had laten vallen.
Eén moord maar…
Ze zat naast haar roerloze broertje. Ze moest zijn tanden poetsen. Hem een schone pyjama aantrekken. Ze moest…
Zijn voorhoofd was klam.
Astrid legde haar hand op zijn hoofd. Hij had de hele nacht al verhoging gehad, maar nu was het nog erger geworden. Ze drukte op het knopje van de thermometer naast het bed, wachtte tot hij op nul stond en stopte hem onder de tong van Kleine Pete.
Ze voelde een koel briesje door de kamer waaien. Haar ogen schoten meteen naar het raam. Dat stond wijd open. Helemaal omhooggeduwd.
Ze wist honderd procent zeker dat het raam dicht was geweest. Ze had ernaast gezeten. Het was op slot geweest. En nu stond het open.
En voor het eerst sinds het begin van de fakz ging er een koel briesje door de kamer, dat over het klamme voorhoofd streek van de allersterkste persoon in dit kleine universum.
Drake voelde hoe de Duisternis zijn geest aanraakte. Hij huiverde van genot.
Hij was er nog, Drake wist het zeker. Riep hem nog steeds – hem, Drake, zijn trouwe volgeling, degene die zich nooit tegen de Duisternis zou keren.
Drake liet zijn zweephand zwiepen, alleen maar om de supersone knal te horen waarmee hij door de lucht suisde. En om hem aan Orc te laten horen.
‘Hé, Orc! Kom eens naar beneden zodat ik dat kleine stukje huid van je gezicht kan slaan!’ riep Drake.
Drake Merwin kon heel vaag wat vormen onderscheiden bij het licht van het kleine, zwakke Samzonnetje. Hij had een hekel aan dat licht – hij wist waar het vandaan kwam, waar het voor stond: voor Sams gave, voor dat gevaarlijke licht van hem.
Drake wist nog hoeveel pijn dat licht deed. Hij had weerloos op zijn rug gelegen. En Sam, die had genoten van zijn wraakmoment, had met een van woede vertrokken gezicht Drakes benen eraf gebrand en was vervolgens rustig via Drakes romp omhooggegaan.
En toen was dat domme varken van een Brittney tevoorschijn gekomen.
Drake wist niet wat er daarna gebeurd was: hij zag en hoorde niets als Brittney de overhand had. Hij wist alleen dat Sam hem niet in de as had gelegd. En nu zat hij hier gevangen. Opgesloten in deze kelder terwijl hij naar Orcs zware voetstappen boven hem moest luisteren.
Drake wist niet wat er was gebeurd waardoor hij zo geworden was, waarom hij samen met Brittney in één lichaam zat. Het laatste gedeelte van zijn leven was sowieso erg onduidelijk. Hij wist nog dat Caine hem aanviel. Hij wist nog hoe de enorme uraniumstaaf op hem af kwam vliegen.
En toen zat hij opeens in een nachtmerrie waar maar geen eind aan leek te komen. Er zat een meisje in die nachtmerrie, het varkentje, die stomme kleine debiel van een Brittney met haar ijzeren bek.
Hij had haar toch vermoord? Heel lang geleden? Hij kon zich nog een in elkaar gezakt, bebloed lichaam op een glimmende vloer herinneren.
Brittney was gestorven. Drake was gestorven. Maar toch waren ze geen van beiden dood, en op de een of andere manier waren ze verbonden in een nachtmerrieachtige wereld waar aarde hun mond en oren vulde en hen gevangen hield.
Wroeten als wormen. Dat was de werkelijkheid van hun nachtmerrie. Drake en het varkentje die door een nachtmerrie wroetten, ze wroetten door aarde, duwden het opzij, persten het samen om een centimeter meer ruimte te krijgen.
Hij was donker, die droom. Pikdonker. Geen Samzon. Geen licht.
Hij wist nog wat hij dacht in die nachtmerrie: Er is geen lucht.
Als je levend begraven was, kon er geen lucht zijn. Geen licht en geen lucht, geen water, geen eten, nooit, nooit, nooit meer.
Het had een hele tijd geduurd voor hij helder genoeg kon nadenken om te beseffen hoe mooi het eigenlijk was: hij was dood… maar levend.
Onvermoordbaar. Begraven in de vochtige aarde en toch op de een of andere manier nog in leven.
En toen was er een soort met pijn en moeite verkregen vrijheid. Hij zat niet langer opgesloten in de nachtmerrie onder de aarde; hij liep nu over de aarde. Het ene moment was hij op een bepaalde plek, en dan was hij opeens ergens anders. Het duurde even voor hij doorhad wat er gebeurde. Het varkentje maakte deel uit van hem. Ze waren verbonden, zaten aan elkaar vast. Ze waren versmolten tot één wezen met twee zielen en twee lichamen.
Soms Drake en soms Biggetje Brittney.
Soms zichzelf, en soms die kleine gek met haar gestoorde visioenen over haar dode broertje.
Toen had hij gevochten met Sam, hij was verbrand, en toch had hij het overleefd.
Onvermoordbaar.
‘Je bent een monster, Orc! Dat weet je toch wel, hè?’ schreeuwde Drake honend. ‘Als mensen naar jou kijken moeten ze overgeven. Ze worden allemaal kotsmisselijk van je.’
Gevangen. Nog wel. In deze bedompte, schemerige kelder. Er stond hier alleen een houten werktafel. Ze hadden alles weggehaald, Sam, Edilio en de rest. Er lag zelfs geen spijker meer op de betonnen vloer.
Het was een groter graf dan het graf dat hij eerder met Biggetje Brittney had gedeeld. Hier was zuurstof. Maar Drake had geen zuurstof nodig.
Ze schoven eten naar binnen, en Drake at het wel op, maar hij had het niet nodig.
Onvermoordbaar.
Wat niet vermoord kon worden, kon ook niet voor eeuwig opgesloten worden. Het was slechts een kwestie van tijd. Orc was een domme zuiplap. Howard werd door niemand serieus genomen. In zijn eentje zou Drake zich allang een weg naar buiten gegraven hebben: hij had al een stuk van de muur losgekregen door de specie weg te krabben met een glasscherf. Maar hij moest oppassen dat Brittney niets in de gaten kreeg als ze tevoorschijn kwam.
Daarom vorderde het maar langzaam. Hij moest de glasscherf elke keer precies terugleggen tussen de troep waar ze hem verwachtte.
En ondertussen slingerde hij bedreigingen omhoog naar Orc terwijl hij werkte en wachtte. Er waren twee manieren om uit deze gevangenis te komen: hij moest de muur bewerken en hij moest Orc bewerken.
‘Hé!’ schreeuwde Drake. ‘Orc! Wat denk je dat er gebeurt als ik dat laatste stukje huid ook van je lijf sla? Je kunt net zo goed helemaal van grind worden, dan ben je er maar vanaf. Waarom zou je doen alsof je nog mens bent?’
Orc stampte op de vloer, oftewel Drakes plafond. Maar hij kwam niet naar beneden om de strijd aan te gaan.
Nog niet. Maar uiteindelijk zou hij komen. Orc zou knappen. En dan zou Drake zijn slag slaan.
Door de muur of door Orc: Drake zou hoe dan ook ontsnappen.
En daarna zou hij naar de Duisternis gaan. De gaiaphage wist vast wel hoe hij Biggetje Brittney zou moeten vermoorden zodat Drake weer vrij kon zijn.
‘Ik vermoord je!’ schreeuwde Drake.
Hij haalde uit naar de muren, naar het plafond; hij schreeuwde en schopte en sloeg uitzinnig van woede in het rond.
Tot hij na een tijdje uitgeput met bloedende zweephand op zijn knieën viel en Brittney werd.
‘Biggetje Brittney,’ brabbelde Drake terwijl zijn wrede mond vertrok en wegsmolt en veranderde in de beugelmond van zijn intiemste vijand.
Ook Lana voelde hoe de duistere geest van de gaiaphage zich vanuit de verte naar haar uitstrekte.
Ze werd met een schok wakker en deed haar ogen open. Patrick stond naast haar bed en hijgde bezorgd terwijl hij onzeker met zijn staart kwispelde. Op de een of andere manier voelde hij wat er aan de hand was.
‘Het is al goed, jochie, ga maar weer slapen,’ zei Lana.
Patrick jankte even, maar liep toen weer terug naar zijn slaapplaats en draaide een paar rondjes voor hij ging liggen.
De gaiaphage kon haar niet meer voor de gek houden en laten geloven dat hij een stem had. Die tijd was voorbij. Maar hij kon haar nog steeds aanraken met een sliertje bewustzijn. Hij kon haar nog steeds laten weten dat hij er was, en dat ze verbonden waren.
Zo moest het voelen als je slachtoffer was van een of ander afschuwelijk misdrijf en wist dat de dader nog steeds rondliep, op zoek naar een manier om het nog een keer te doen.
De gaiaphage hunkerde naar Lana’s krachten. Met haar gave kon hij de meest bizarre dingen doen. Een geamputeerde arm vervangen door een slangachtige zweep, bijvoorbeeld.
Maar ze was niet zo zwak meer.
‘Je maakt je een beetje zorgen, hè?’ vroeg ze aan de koele nachtlucht. ‘Daar onder de grond terwijl je aan je uraniumhapje zit te knabbelen?’
De Duisternis gaf geen antwoord. Maar Lana voelde dat ze gelijk had: het wezen maakte zich zorgen.
Maar het was niet bang.
Lana fronste haar wenkbrauwen en probeerde te bedenken wat het verschil precies was. Bezorgd maar niet bang. Bereidde hij zich voor op iets? Wachtte hij ergens op?
Ze kon niet besluiten of ze zou opstaan om een sigaret te roken – ze was verslaafd, dat gaf ze nu wel toe – of zou blijven liggen met haar ogen dicht, zonder in slaap te vallen. Zelfs als de slaap nu nog zou komen, zou hij bol staan van de nachtmerries.
Daarom ging ze rechtop zitten en tastte om zich heen tot ze het pakje Lucky Strikes en haar aansteker had gevonden. De aansteker vlamde op, de sigaret gloeide en de geur van rook drong haar neusgaten in.
‘Wat voer je in je schild?’ vroeg ze. ‘Wat wil je?’
Maar er kwam natuurlijk geen antwoord. En ze merkte dat de Duisternis zijn aandacht weer ergens anders op richtte.
Lana stond op en sjokte naar haar balkon. De maan stond hoog aan de hemel. Het was of heel erg laat of heel erg vroeg.
De muur was zo dichtbij dat ze het gevoel had dat ze hem bijna kon aanraken.
Was het echt waar dat de wereld recht achter die muur was? Was hij echt zo dichtbij dat ze de frietjes had moeten kunnen ruiken die in het fastfoodrestaurant werden gebakken voor de mensen die met open mond naar de koepel kwamen staren?
Of was dat gewoon de zoveelste leugen in deze kleine wereld vol bedrog?
Stel dat hij weg zou vallen? Nu meteen, gewoon bam: geen muur meer? Of stel dat er een barst in zou komen, als een gigantisch ei?
Haar vader en moeder…
Ze deed haar ogen dicht en beet op haar lip. De pijn van de herinnering was stiekem naar haar toe geslopen en sloeg nu onverhoeds toe.
De tranen sprongen in haar ogen. Ze veegde ze ongeduldig weg.
Plotseling zag ze beneden op de klif boven het strand een felle uitbarsting van groen-wit licht. Sams silhouet werd scherp afgetekend door zijn eigen lichtshow. Ze hoorde hem schreeuwen en brullen van frustratie.
Hij probeerde zich een weg uit de fakz te branden.
Het ging een tijdje door en toen hield het op. De duisternis keerde terug. Ze kon Sam niet meer zien.
Lana draaide zich om.
Dus ze was niet de enige die fantaseerde over hoe het zou zijn om een barst in de schaal te maken en als een pasgeboren kuikentje naar buiten te kruipen.
Vreemd, bedacht Lana toen ze de peuk uitdrukte. Ik heb het nog nooit als een ei bekeken.
Een windvlaag blies de rook voor haar weg.